4. De in lid 3 van dit artikel bedoelde regels strekken ter waarborging van een doelmatig gebruik van de ether; zij kunnen mede strekken ten dienste van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang. 5. De in lid 3 van dit artikel bedoelde regels hebben in ieder geval betrekking op: a. het verlenen van vergunningen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar de duur van de vergunning, de aard van de radio-elektromagnetische zendinrichting, het doel waarvoor de vergunning wordt verleend, de aan die vergunningen te verbinden voorschriften alsmede de beperkingen waaronder zij kunnen worden verleend; b. de bevoegdheid tot het bedienen van daarbij te omschrijven categorieën van radio-elektromagnetische zendinrichtingen; c. de aan radio-elektromagnetische zendinrichtingen te stellen technische eisen; d. het voorkomen en opheffen van belemmeringen en storingen die radioelektromagnetische zendinrichtingen teweeg brengen in daarbij te omschrijven inrichtingen; e. de keuring van een radio-elektromagnetische zendinrichting; f. hetgeen nodig is ter uitvoering van de voor Suriname bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties; g. het in de uitoefening van beroep of bedrijf vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van radio-elektromagnetische zendinrichtingen. 6. Een vergunning wordt geweigerd, indien: a verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens lid 5 van dit artikel vastgestelde regels; b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert; c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert; d. deze is gevraagd voor het verspreiden van omroepprogramma's en de verlening in strijd zou zijn met de bij of krachtens wet toegestane verspreiding van omroepprogramma's; e. een eerder verleende vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel is ingetrokken: 1e. op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder a; 2e. wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder zij is verleend; f. de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende verplichtingen welke voortvloeien uit een eerder aan hem verleende vergunning; g. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 48 lid 1 vastgestelde regels. 7. Een vergunning wordt ingetrokken, indien: a. de vergunninghouder daarom verzoekt; b. de gronden, waarop de vergunning is verleend, zijn vervallen; c. de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en de beperkingen waaronder zij is verleend niet nakomt; 20

Select target paragraph3

Connect to a paragraph
Connect to an entity
Disable highlights
Add to table of contents