Ook de Nederlandse krijgsmacht bracht in de loop van de 20e eeuw diverse doctrines uit. Die hadden vooral betrekking op het land- en luchtoptreden. In 1925 verscheen bij de Luchtvaartafdeling van de landmacht het ‘Voorschrift voor het gebruik van Luchtstrijdkrachten’, met een nadruk op het optreden van het luchtwapen in grotere verbanden, zoals het toenmalige Veldleger of een divisie. In 1926 voerde de landmacht de ‘Handleiding voor het gevecht der groote eenheden (de Gevechtshandleiding)’ in. Hierin werden het optreden op de niveaus van een divisie en van een divisiegroep beschreven, in alle gevechtsvormen. Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) ontwikkelde eveneens een eigen doctrine, die ter bestrijding van het antikoloniale verzet vooral de contraguerrilla centraal stelde. Kern van de koloniale aanpak waren kleine groepen inheemse troepen onder leiding van een Nederlandse officier, die gewapend met karabijn en klewang de irreguliere tegenstander in de jungle opzochten en ontregelden. De aanpak met deze mobiele eenheden bleek succesvol en stond model voor het optreden van alle KNIL-infanterie. Het koloniale leger legde dit optreden vast in het ‘Voorschrift voor de uitoefening van de politieke politionele taak van het leger’ (VPTL). In 1948 zag een vernieuwde versie het levenslicht, speciaal voor de toen in Nederlands-Indië vechtende strijdkrachten. Na het beëindigen van de dekolonisatieoorlog in 1949 raakte deze doctrine in de vergetelheid. In de jaren vijftig werd de Nederlandse krijgsmacht opgebouwd om een defensieve rol in NAVO-verband uit te voeren. Voor de landmacht betekende dit in eerste instantie het mede verdedigen van de Rijn - IJssellinie. Later schoof de toegewezen verdedigingssector meer op naar het oosten, naar Duits grondgebied. Ook in de lucht en ter zee hadden de Nederlanders hun in het bondgenootschap ingebedde verdedigingstaak. De marine concentreerde zich op de bescherming van de Sea Lines of Communication en de luchtmacht richtte zich op het verkrijgen van luchtoverwicht en op grondgebonden luchtverdediging. Luchtmacht en marine legden dit optreden niet vast in nationale doctrinepublicaties, maar baseerden zich op bondgenootschappelijke doctrines. De landmacht ontwikkelde wel een eigen doctrinepublicatie voor het grondgebonden optreden, de Gevechtshandleiding VS 2-1386 uit 1957. In de jaren zestig werden de nodige veranderingen doorgevoerd, mede door de introductie van tactische kernwapens. De NAVO-doctrine was in deze periode gebaseerd op de ‘forward defence’. Hierbij zouden de NAVO-troepen de aanvaller eerst moeten vertragen en tot staan brengen, waarna een grootschalige tegenaanval, al dan niet ondersteund door de inzet van de tactische kernwapens, de oorspronkelijke situatie moest herstellen. Het optreden was centraal gepland en centraal aangestuurd. Eind jaren zestig voerde de NAVO de ‘Flexible Response’ in. Dit verdedigingsconcept was in beginsel niet-nucleair, gericht op grootschalige slijtage van de vijand en het uitvoeren van 9

Select target paragraph3