als veilige marge bij het optreden van de krijgsmacht. Daarmee wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de bevoegdheden van een interventiemacht als gevolg van haar soms wisselende status in een conflictgebied. Deze status kan immers variëren van het met geweld afdwingen van vrede of het handhaven van de rechtsorde en stabiliteit, tot het helpen bij de wederopbouw en het lenigen van humanitaire nood. 3.2.6 Mensenrechten In beginsel zijn de bepalingen uit de mensenrechtenverdragen van toepassing tijdens militaire operaties. De belangrijkste mensenrechtenverdragen zijn het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Deze verdragen hebben een extraterritoriale werking. Dat betekent dat ze van toepassing zijn op militaire operaties in het buitenland voor zover er sprake is van uitoefening van rechtsmacht in de zin van deze verdragen. Daarvan zal gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de meeste gevallen sprake zijn. 50 Mensenrechten gelden ook in gewapende conflicten, behoudens internationaalrechtelijk erkende uitzonderingen. Het afwijken van mensenrechtelijke verplichtingen (derogeren) is een besluit dat alleen door de regering genomen kan worden. Indien er in een gewapend conflict sprake is van conflicterende bepalingen tussen toepasselijke regels uit de mensenrechtenverdragen en het humanitair oorlogsrecht, is in beginsel het humanitair oorlogsrecht leidend. Dat betekent dat waar het humanitair oorlogsrecht niet of niet voldoende duidelijk voorziet in specifieke regels, de mensenrechten leidend zijn. 3.3 Nationaalrechtelijk kader Behalve aan het internationaal recht, is de inzet van de krijgsmacht ook onderworpen aan nationale wet- en regelgeving. Deze wet- en regelgeving bevat onder andere bepalingen over het bestaan van de krijgsmacht, definieert de omstandigheden waaronder de krijgsmacht wordt ingezet en stelt regels voor haar inzet en optreden. 3.3.1 Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden Het Statuut regelt de rechtsorde binnen het Koninkrijk en maakt onderscheid tussen de aangelegenheden van het Koninkrijk en die van de landen Nederland, Aruba, Curaçao en St. Maarten. Over de krijgsmacht bepaalt het Statuut dat de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk een aangelegenheid van het Koninkrijk is (artikel 3, lid 1.a). De Nederlandse krijgsmacht vervult deze taak voor alle landen van het Koninkrijk. Nederlandse Defensie Doctrine

Select target paragraph3