3 De krijgsmacht als instrument van de
regering
3.1 Inleiding
De Nederlandse staatsinrichting heeft als een van haar uitgangspunten dat de krijgsmacht
een instrument in handen van de Nederlandse regering is. Om het militaire denken over de
inzet van de krijgsmacht voor operaties te begrijpen, is het noodzakelijk de context voor
haar inzet te doorgronden. Deze context bestaat uit het juridische kader, de toegewezen
hoofdtaken, de strategische doelstellingen en de besluitvormingsproces voor de inzet
binnen en buiten de landsgrenzen, en aansturing van eenheden tijdens inzet. Deze context
heeft invloed op de inzet van delen van de krijgsmacht en daarmee op de militaire doctrine
en wordt in dit hoofdstuk behandeld.
De krijgsmacht als instrument van de regering – historisch perspectief
Besluiten over oorlog en vrede, en over de inzet en taken van de krijgsmacht, werden in
Nederland van oudsher genomen door een kleine bestuurlijke elite. Sinds de oprichting
van het Koninkrijk in 1815 was deze bevoegdheid staatsrechtelijk belegd bij de Regering
(staatshoofd en kabinet). Aanvankelijk was het de koning die het politieke en militaire
leiderschap alleen droeg. Hij had “het oppergezag over de vloten en legers”. Na de
staatshervorming van 1848 en de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid
kwam de aansturing van legers en marine, en de ontwikkeling van het krijgsbeleid, te
liggen bij het kabinet - in het bijzonder de bewindslieden van Oorlog, Marine en Koloniën.
Lange tijd bleef de traditie gehandhaafd dat de hoogste militaire bevelvoering, het
opperbevel in oorlogstijd, lag bij de vorst en zijn familie. Leden van het Huis van Oranje
hadden dit ambt al sinds de tijd van de Republiek steevast bekleed en deden dat weer
tijdens de veldtochten in het kader van de Belgische Opstand in 1830 en 1831 en bij de
mobilisatie voor de Frans-Duitse Oorlog van 1870. Deze positie van het Koningshuis
bleek, door het ontbreken van mannelijke Oranjes aan het einde van de 19e eeuw, niet
gecontinueerd te kunnen worden. Bij de mobilisatie van 1914 kreeg de krijgsmacht voor
het eerst een opperbevelhebber uit de top van het professionele militaire kader. In 1939
gebeurde dit aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog wederom. In NederlandsIndië was de gouverneur-generaal zowel de civiel-bestuurlijke vertegenwoordiger van de
Nederlandse Kroon als de opperbevelhebber van de daar opererende land- en
zeemachten.
45