3.2 Internationaalrechtelijk kader
Het internationale recht bestaat uit geschreven en ongeschreven regels die de onderlinge
relaties tussen staten en internationale organisaties beheersen. De inzet van het militaire
machtsmiddel buiten de eigen landsgrenzen dient een rechtsgrondslag te hebben in het
internationaal recht. Stelregel is dat Nederland niet in een andere staat optreedt zonder
toestemming van die staat. Hiervoor bestaan in hoofdzaak twee universele regels: het
soevereiniteitsbeginsel en het geweldsverbod, zoals verwoord in het VN-Handvest. Na deze
twee regels wordt ingegaan op een aantal andere rechtsbeginselen en op de rechtsregimes
die gelden tijdens het militaire optreden.
3.2.1 Het soevereiniteitsbeginsel
Dit beginsel houdt in dat het staatsgezag niet afhankelijk is van een ander hoger gezag voor
het handelen binnen haar eigen staat. Op grond van het non-interventiebeginsel, als
uitvloeisel van het soevereiniteitsbeginsel, mag geen enkele staat ingrijpen in de interne en
externe aangelegenheden van een andere staat.
48
3.2.2 Het geweldsverbod
Het VN-Handvest verbiedt in artikel 2, lid 4 het gebruik van, of het dreigen met militair
geweld in de internationale betrekkingen. Deze bepaling heeft tot doel te voorkomen dat
staten uit eigener beweging of op basis van hun nationale wetgeving, op het grondgebied
van of tegen een andere staat met militair geweld optreden.
3.2.3 Gebruik van geweld en recht op zelfverdediging
Op het geweldsverbod bestaan drie algemeen aanvaarde uitzonderingen.
De eerste rechtsgrond is het in artikel 51 van het VN-Handvest erkende recht op individuele of
collectieve zelfverdediging. Het recht op zelfverdediging geldt in geval van een (onmiddellijk
dreigende) gewapende aanval op een land door een andere staat of door een georganiseerde
gewapende organisatie. Als afgeleide daarvan geldt ook dat staten onder strikte voorwaarden
hun onderdanen mogen beschermen en, zo nodig, door inzet van militaire eenheden, mogen
evacueren uit een ander land. Eén van de daarvoor geldende voorwaarden is dat het gastland
in kwestie niet langer bereid of in staat is deze onderdanen de noodzakelijke bescherming te
bieden. De tweede rechtsgrond is autorisatie van geweldgebruik door de VN-Veiligheidsraad
op grond van hoofdstuk VII van het VN-Handvest. De derde rechtsgrond is een uitnodiging
van het gastland. Deze derde rechtsgrond richt zich primair maar niet uitsluitend op
stationering en oefening, of als voorbereiding op optreden in het kader van de collectieve
zelfverdediging van de staat in kwestie (bijvoorbeeld de Enhanced Forward Presence in Litouwen).
Nederlandse Defensie Doctrine