Tot 1940 beperkte de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht zich hoofdzakelijk tot de koloniën. Vooral in de 19e eeuw ondernamen de Koninklijke Marine en het Koninklijk Nederlands-Indische Leger tal van expedities om Indië te ‘pacificeren’. De regering vroeg voor dit soort operaties niet formeel toestemming aan het parlement; er was evenmin een formele verantwoordingsprocedure. Van een officiële oorlogsverklaring was bij de militaire expedities of langduriger campagnes tegen lokale vorstendommen geen sprake. Over de bevoegdheid van het verklaren van de oorlog zei de Grondwet (in de versies van 1815, 1848 en 1887) aanvankelijk: “de Koning verklaart oorlog en hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan beide Kamers van de Staten-Generaal”. Bij de grondwetsherziening van 1922 werd deze clausule aangepast en bepaalde de wet voortaan dat de Koning geen oorlog verklaarde “dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal”. 46 Sinds de Grondwetswijziging van 1983 was het niet meer het staatshoofd maar de Regering, en daarmee het kabinet, dat een oorlog kon verklaren. Internationaal was zo’n verklaring tegen deze tijd overigens niet meer in gebruik. Door de aard van het internationale systeem zoals vastgelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, en door de bondgenootschappelijke inbedding van de Nederlandse krijgsmacht sinds de Tweede Wereldoorlog, was een officiële oorlogsverklaring een gebruik uit het verleden geworden. Met deze internationale ontwikkelingen was bovendien de besluitvorming over politiekstrategische en militair-strategische vraagstukken voor een groot deel buiten het nationale soevereine domein komen te liggen. De Ministeries van Oorlog en Marine werden in 1959 samengevoegd tot het Ministerie van Defensie. De Nederlandse krijgsmacht van na de Tweede Wereldoorlog was net als zijn voorgangers een naar krijgsmachtdeel en specialisatie verzuilde organisatie. Overkoepelend bestond er sinds 1948 een Comité van Verenigde Chefs van Staven (CVCS), een overleg van de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen onder leiding van een voorzitter. In de jaren zestig ontwikkelde het voorzitterschap van dit CVCS zich door de behoefte aan betere coördinatie van de steeds intensievere bondgenootschappelijke en internationale samenwerking tot een permanente functie. De voltijdse voorzitter van het CVCS kreeg een eigen Gezamenlijke Staf. In de jaren zeventig groeide deze staf uit tot een beleidsdirectie voor operaties, die in 1976 Defensiestaf ging heten. Aan het hoofd stond voortaan de Chef Defensiestaf (CDS). Het einde van de Koude Oorlog maakte aanpassingen noodzakelijk. De krijgsmacht werd een kleiner, flexibeler en expeditionair gericht instrument. Inzet bij internationale crisisbeheersingsoperaties en internationale interventies werd een gelijkwaardige hoofdtaak naast de algemene verdedigingsopdracht. De verdere internationalisering van de inzet van de Nederlandse strijdkrachten leidde tot een uitbreiding van het takenpakket van de CDS en Defensiestaf. Katalysator was de crisis in Srebrenica (1995). Nederlandse Defensie Doctrine

Select target paragraph3