coalities, of aan de militaire structuren van de EU, werd de norm. Na de val van Srebrenica (1995) ging Nederland wat betreft VN-operaties vaker de boot afhouden en ontwikkelde het een voorkeur voor NAVO- en EU-missies, en voor operaties in coalitieverband. Begin jaren negentig sloot Nederland zich wat betreft veiligheidsbeleid aan bij een internationale trend die als uitgangspunt hanteerde dat interventies in zogenoemde ‘falende’ of ‘mislukte’ staten prioriteit moesten krijgen. Het paste in de tijdsgeest dat daartoe ambitieuze, multidimensionale vredesmissies werden opgetuigd, vooral in VN-verband, maar door de louterende ervaringen in de praktijk en het dikwijls falen van de VN als organisatie, ook in andere geallieerde verbanden. In het rapport An Agenda for Peace werd deze nieuwe generatie crisisbeheersingsoperaties als “peace-building” gecategoriseerd. Met dit VN-document werd feitelijk het intellectueel fundament gelegd voor wat later, in de nieuwe eeuw, in internationale interventies, de ‘integrated’, 3-D of ‘comprehensive approach’ zou gaan heten. Nederland paste de principes van deze vorm van moderne militaire inzet sindsdien steevast in zijn veiligheidsbeleid en doctrines toe. 36 De NAVO bleef de primaire steunpilaar van Nederland op veiligheidsgebied. Het bondgenootschap ontwikkelde naar aanleiding van de veranderde situatie in 1991 een nieuw Strategisch Concept. Dit voorzag in een ruimere, minder territoriaal gerichte, flexibele veiligheidsstrategie, met als kernpunten de verminderde afhankelijkheid van kernwapens en een grotere nadruk op het gebruik van multinationale formaties (Combined Joint Task Forces) voor een breed takenpakket op het gebied van crisisbeheersing en vredeshandhaving, ook buiten het eigen verdragsgebied. Verder koos de NAVO voor het aangaan van partnerschappen met niet-lidstaten en voor een nadrukkelijke handreiking aan de oude vijanden aan de andere kant van het voormalige IJzeren Gordijn. In de jaren daarna groeide het bondgenootschap danig door de toetreding van deze Centraal- en Oost-Europese landen en (zelfs) van enkele ouddeelrepublieken van de gewezen Sovjet-Unie. In 1999 (het bondgenootschap bestond toen 50 jaar) en ook weer in 2010 vernieuwde de NAVO zijn Strategisch Concept, waarbij de lidstaten zich rekenschap gaven van het complexer wordende mondiale ‘veiligheidsklimaat’ en van de uitdagingen die dit met zich meebracht. Parallel aan die aanpassingen verlegde ook de Nederlandse defensieorganisatie haar focus naar domeinen die lange tijd uit het zicht waren geweest. Zo kreeg de krijgsmacht taken op het terrein van de overzeese drugs- en piraterijbestrijding. Ook versterkten gespecialiseerde eenheden na 9/11 en diverse terroristische aanslagen in Europese steden hun capaciteiten op het gebied van de contraterreur, een ontwikkeling die na enkele grote aanvallen in Frankrijk in 2015 en 2016 werd versneld. Verder gingen militairen deelnemen aan de grensbewaking aan de buitengrenzen van Europa en verlenen Nederlandse militairen steeds vaker steun bij civiele rampenbestrijding in zowel binnen- als buitenland. Nederlandse Defensie Doctrine

Select target paragraph3