Tegelijkertijd mengden niet-statelijke actoren zich in het spel van de internationale
betrekkingen. Sommige van deze actoren plaatsten bedreigingen en veiligheids
vraagstukken op de agenda van wat ‘de internationale gemeenschap’ ging heten, zoals
schendingen van de mensenrechten of door de mens veroorzaakte ontwrichtingen van
het milieu. Andere actoren waren een bedreiging op zich, uit naam van een ideologie of
een (vermeend) onrecht, zoals terroristische organisaties.
Ondertussen bleven staten wel de centrale spelers op het wereldtoneel, alsook elkaars
grootste bedreigingen. Nederland ondervond dat van 1940 tot 1945, toen het zuchtte
onder de bezetting door nazi-Duitsland, totdat het werd bevrijd door een coalitie van
democratische landen onder leiding van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Na de
Tweede Wereldoorlog kwam de dreiging verder uit het Oosten, van de Sovjet-Unie. Het
gevaar van deze communistische dictatuur werd als zo groot ervaren, dat Nederland zijn
oude standpunt van gewapende neutraliteit losliet. Het trad toe tot de Westerse coalitie,
in 1949 bestendigd in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Tevens raakte
Nederland in deze naoorlogse jaren, net als de meeste andere Europese staten, zijn
koloniën kwijt.
De staten van West-Europa gingen na de Tweede Wereldoorlog, in naam van het ideaal
om desastreuze totale oorlogen voor eens en voor altijd uit te bannen, verregaande (en
op bepaalde terreinen zelfs supranationale) samenwerkingsverbanden aan. Dit gebeurde
op het gebied van belangrijke industriële grondstoffen (de Europese Gemeenschap voor
Kolen en Staal), van nucleaire energie (de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie),
van belangrijke economische functies als de handel en de landbouw (de Europese
Economische Gemeenschap) alsook de rechten van de mens en de waarborging van de
democratische rechtstaat (de Raad van Europa). Op het gebied van Defensie stichtten zij
de West-Europese Unie (WEU), een soort kleine broer van de NAVO. Na het einde van de
Koude Oorlog in 1989 breidden deze instellingen zich uit naar de landen van Midden- en
Oost-Europa en werden zij onder de noemer Europese Unie (EU) daadwerkelijk panEuropese instellingen. Met het referendum in Groot-Brittannië over het verlaten van de
EU in 2016 werd overigens ook duidelijk dat dit proces niet onomkeerbaar en nog lang
geen vanzelfsprekendheid was.
Een teken van de tijd was tevens de waarschuwing in 1972 van een groep wetenschappers
(de Club van Rome) voor een dreigende malthusiaanse catastrofe op planetaire schaal
door (bijna) exponentiële bevolkingsgroei, energie- en voedselschaarste, milieuvervuiling,
uitputting van grondstoffen en hongersnoden, met effecten op de leefbaarheid in
sommige delen van de wereld en potentieel onstuitbare migratiestromen als gevolg.
Dergelijke scenario’s, alsook mensenrechten en (humanitaire) interventiekwesties,
werden onderdeel van de veiligheidsproblematiek. Steeds meer menselijke activiteiten
raakten grensoverschrijdend met elkaar verweven. Deze ontwikkeling, mondialisering of
19