36 | Nederlandse Cybersecuritystrategie 2022-2028
Doelen | 37
Pijler III: Tegengaan van digitale
dreigingen van staten en criminelen
De digitale ruimte is in toenemende mate een plaats
waar spanningen tot uitdrukking komen: statelijke en
niet-statelijke actoren voeren steeds vaker kwaadaardige digitale campagnes uit, vaak onderdeel van
een hybride campagne, om zo uiteenlopende doeleinden te bereiken. De capaciteiten van criminele
groeperingen doen in sommige gevallen niet meer
onder voor die van staten. En het komt voor dat staten de samenwerking met criminele groepen juist
opzoeken, of die groepen bewust niet hinderen. Dit
raakt Nederland op vele manieren: diefstal
ondermijnt ons verdienvermogen, sabotage is een
directe bedreiging van onze nationale veiligheid en
digitale dreigingen zetten onze democratie en rechtstaat onder druk. De koppeling tussen cyberaanvallen
en de geopolitieke dynamiek kan in potentie de
bondgenootschappelijke cohesie binnen de NAVO en
de EU onder druk zetten.
Cybersecurity, en daarmee ook de bestrijding van
cybercrime, moet dan ook als vast onderdeel van het
nationale en internationale veiligheids- en cybersecuritybeleid gezien worden. Die vaststelling brengt
het besef met zich mee dat we dit als Rijksoverheid
en als Nederland niet alleen kunnen oplossen. Om
gelijke tred te houden met de vele kwaadwillende
actoren en de stijgende kwetsbaarheid van de digitale ruimte, moeten wij beter zicht krijgen op wat op
ons afkomt. Hoe cruciaal zicht op de dreiging ook is,
met zicht alleen wordt Nederland niet direct veiliger.
Wel is het een essentiële stap voor effectief (schaalbaar) handelen.31
Nederland heeft zicht op digitale
dreigingen van staten en criminelen
Het gaat niet alleen om de betere waarneming van
feitelijke handelingen van statelijke en niet-statelijke
actoren in de digitale ruimte. Ook het politieke,
diplomatieke, militaire en economische gedrag van
derde landen geeft inzicht in hun opvattingen en
intenties aangaande het gebruik van de digitale
ruimte als middel om geopolitieke invloed te krijgen.
De inzet van diplomatieke middelen is dan ook
essentieel voor een beter zicht – bijvoorbeeld via
gerichte diplomatieke rapportages, consultaties en
coalitievorming met gelijkgezinden en dialogen met
niet-gelijkgezinde partijen.
Een groot deel van deze opgave ligt binnen de unieke
verantwoordelijkheid van de overheid met onder
andere de politie, het OM en de Algemene- en Militaire Inlichtingen-en Veiligheidsdienst (inlichtingenen veiligheidsdiensten) in samenwerking met
partijen, zoals het NCSC en het DTC.32 Daarmee heeft
Nederland de mogelijkheden om de snelgroeiende
dreiging en een deel van de actoren in het zicht te
krijgen en te houden. Daarnaast zullen we nog vaker,
inniger en actiever samenwerken met onder andere
EU-partners en NAVO-bondgenoten zodat we eerder
dreigingen en kwaadwillende actoren in het zicht
kunnen krijgen. Om gedeeld begrip van de dreiging te
bevorderen zal de overheid vaker proactief
(cyber)inlichtingen delen en zo anderen in staat te
stellen hun weerbaarheid te verhogen of op te treden
tegen cybercriminelen.
De overheid moet ook intensiveren in de samenwerking met andere partijen en meer verbanden aangaan
om de informatie die buiten de Rijksoverheid ligt, binnen te krijgen. Te denken is aan bedrijven,
kennisorganisaties en internationale organisaties. Op
basis van de eigen en andermans informatie is de
overheid in staat een beter beeld te schetsen van de
cyberdreiging gericht tegen Nederlandse belangen en
die van onze partners.
Dit leidt tot de volgende subdoelen:
• De overheid heeft de capaciteiten om informatie en
inlichtingen over digitale dreigingen van staten en
criminelen te vergaren, te analyseren en te delen.
• De overheid heeft effectieve inlichtingen- en informatie-uitwisseling over digitale dreigingen met
internationale partners.
Nederland heeft grip op cybersecuritydreigingen van staten en criminelen
De overheid zet de komende jaren in op versterkte
informatie-uitwisseling en verhoging van weerbaarheid wat bijdraagt aan het beperken van digitale
dreigingen.33 Daarnaast zal de overheid, binnen de
juridische kaders, nog meer dan nu de mogelijkheden
benutten om een kwaadwillende actoren en hun facilitators (digitaal) op te sporen, aan te pakken, te
verstoren en te vervolgen. Dit kan de overheid
bewerkstelligen met de inzet van onder andere de
AIVD, de MIVD, de politie en het Openbaar Ministerie,
Defensie, en Buitenlandse Zaken.34 Het is hierbij van
belang de (wettelijke) kaders in acht te nemen.
De politie en het OM gebruiken een brede, schaalbare
en effectieve bestrijdingsstrategie voor de aanpak van
cybercriminaliteit, waarmee zowel de plegers als
dienstverleners van cybercriminaliteit worden aangepakt. Naast strafrechtelijke interventies zetten politie
en OM ook in op alternatieve interventies. Met de
brede bestrijding worden criminele activiteiten en netwerken verstoord, wordt strafbaar gedrag voorkomen,
worden criminele winsten afgepakt en wordt opgetreden tegen strafbare gedragingen.
In verschillende internationale gremia, waaronder de
EU, de Raad van Europa en de VN, draagt Nederland
actief bij aan de (door-)ontwikkeling van juridische
instrumenten die ten doel hebben de internationale
samenwerking tegen cybercriminaliteit te versterken,
met een sterke borging van mensenrechten en vrijheden. Statelijke cyberoperaties zullen effectiever
door de AIVD en de MIVD verstoord worden. Defensie zal de capaciteiten die zij beschikbaar heeft voor
haar grondwettelijke taken vaker structureel in het
nationale domein inzetten en klaar moeten staan
wanneer zij bevraagd wordt: niet alleen als laatste
redmiddel, maar ook als digitale vuist.35
Gelet op de geopolitieke dimensie van digitale dreigingen is onze inzet in de digitale ruimte integraal
onderdeel van ons bredere buitenlandbeleid. Het
ministerie van Buitenlandse Zaken zal samen met
(inter)nationale partners effectiever diplomatieke
middelen inzetten in reactie op cyberaanvallen en incidenten. Het in ontwikkeling zijnde Rijksbreed
Responskader Statelijke Dreigingen zal waar mogelijk
ook in de digitale ruimte toepassing vinden.
Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het interdepartementale responskader voor cyberincidenten,
onder coördinatie van het ministerie Buitenlandse
Zaken. Dit kader wordt sinds 2018 met succes toegepast en zal de komende jaren verder worden
ontwikkeld.
Waar de juridische kaders de operationele slagkracht
te veel beperken om het doel te bereiken, zal verruiming van de kaders overwogen worden, uitgaande
van onze publieke waarden en rekening houdend
met het normatief kader voor verantwoordelijk statelijk gedrag, inclusief grondrechten en het
internationaal recht (onder andere mensenrechten en
het humanitair oorlogsrecht).
Select target paragraph3
Connect to a paragraph
Connect to an entity
Disable highlights
Add to table of contents