De Defensiestaf werd hierna integraal verantwoordelijk voor het plannen, voorbereiden, uitvoeren en evalueren van internationale operaties. In de loop der jaren ontwikkelde deze verantwoordelijkheid zich tot een volwaardige, overkoepelende opperbevelhebber. De krijgsmacht kwam in 2005 definitief onder de eenhoofdige leiding van de CDS, die nu Commandant der Strijdkrachten ging heten. De CDS werd zo de hoogste nationale militair-strategische autoriteit. Het nieuwe expeditionaire tijdperk kenmerkte zich ook door een grotere maatschappelijke en politieke aandacht voor militaire operaties. Bij uitzendingen bleek de krijgsmacht vaker onder een vergrootglas te liggen. De politiek koos daardoor voor het uitoefenen van meer controle. De binnenlandse politiek-strategische inkadering van de krijgsmacht werd controleerbaarder en concreter gemaakt met de toepassing van inzetcriteria. In 1993 stelde het kabinet een lijst met toetsingselementen op, in 1995 geformaliseerd in een zogenoemd Toetsingskader. Hierin stonden 14 aandachtspunten om de politieke wenselijkheid en de praktische haalbaarheid van de Nederlandse deelname aan een crisisbeheersingsoperatie te bepalen. In 2001 en 2009 onderging het Toetsingskader aanpassingen. Sindsdien is het Toetsingskader 2009 uitgangspunt van besluitvorming en informatievoorziening aan het parlement. In 2000 werd tevens een actieve informatieplicht van de regering over de uitzending van militairen in het kader van de handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde vastgelegd in artikel 100 van de Grondwet. Hoewel het parlement formeel geen instemmingsrecht heeft, is een operatie zonder steun van een parlementaire meerderheid ondenkbaar. De traditie dat een substantieel deel van de parlementariërs achter een uitzending moet staan, is wel aan erosie onderhevig gebleken. Uit recente besluitvorming kan worden afgeleid dat een gewone parlementaire meerderheid inmiddels voldoende is. De publieke opinie, die zich een tijdlang eveneens tot een belangrijk element in de besluitvorming leek te ontwikkelen, heeft door de jaren heen slechts een beperkte invloed weten te verwerven. Regering en parlement letten wel op signalen, gevoelens en percepties uit de maatschappij, maar tegelijkertijd kende het Toetsingskader sinds 2001, anders dan de oorspronkelijke versie, niet meer het criterium van ‘draagvlak in de samenleving’. Wel was de steun voor internationale vredeshandhavende en vredesondersteunende operaties in Nederland jarenlang traditioneel hoog en al heel lang constant, zowel tijdens als na de Koude Oorlog. Tegen de deelname aan stabilisatie- en gevechtsoperaties van ad hoc coalities, zo wezen opiniepeilingen uit, bleek de Nederlandse bevolking de afgelopen decennia kritischer aan te kijken. 47

Select target paragraph3