2 Nederlands veiligheidsbeleid
2.1 Inleiding
Een Nederlandse militaire doctrine beschrijft het militaire denken zoals dat in de
Nederlandse krijgsmacht wordt toegepast. Omdat de toepassing van het militaire machtsmiddel een afgeleide is van het Nederlandse veiligheidsbeleid, is het noodzakelijk eerst dit
veiligheidsbeleid te omschrijven. Daarmee ontstaat inzicht in het hogere kader waarin de
krijgsmacht haar doctrine toepast.
In dit hoofdstuk komt eerst het veiligheidsbeleid aan de orde, zowel vanuit internationaal
als vanuit Nederlands perspectief. Daarna volgt een beschrijving van de Nederlandse
belangen en de wijze waarop de Nederlandse regering deze belangen behartigt. Ten slotte
wordt duidelijk gemaakt wat dit betekent voor de nationale veiligheidsinstituties en voor de
krijgsmacht in het bijzonder.
34
Het Nederlandse veiligheidsbeleid in historisch perspectief
Vanaf het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 hadden de strijdkrachten
twee taken: 1) de verdediging van het Rijk in Europa, en 2) de handhaving van orde en
vrede in de koloniën. De eerste taak was de verantwoordelijkheid van de land- en
zeemacht (leger en vloot), de tweede werd in Nederlands-Indië uitgevoerd door het
Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) en de Koloniale Marine (later Indische
Militaire Marine). In het Caribisch gebied waren de Troepenmacht in Curaçao en de
Troepenmacht in Suriname belast met de verdediging van de kolonies, en zorgde de
Koninklijke Marine eveneens voor een maritieme presentie. De Nederlandse legers
richtten zich op landsverdediging, op bijstand bij binnenlandse ordehandhaving en in de
koloniën, op ‘pacificatie’. Expeditionair optreden was daarnaast vooral het domein van de
marine en het Korps Mariniers, die zich al sinds de jaren van de Nederlandse
onafhankelijkheidstrijd (1568-1648) mondiaal bezighielden met militaire
handelsbescherming, gewapende belangenbehartiging en vlagvertoon.
Politiek-strategisch voerde Nederland tot de Tweede Wereldoorlog een beleid van
gewapende neutraliteit. De strijdkrachten in Europa richtten zich vooral op het kunnen
voeren van het grootschalige conflict bij een eventuele schending daarvan. De mogelijke
tegenstander, een krijgsmacht van een andere Europese mogendheid, zou daarbij
vermoedelijk ‘regulier’ optreden, zo was de aanname. De koloniale troepen richtten zich,
na de veroveringsoperaties in de 19e eeuw, vooral op het behoud van binnenlandse rust
en orde. Het optreden van het KNIL was hoofdzakelijk gericht op het uitvoeren van
Nederlandse Defensie Doctrine