2942
MONITEUR BELGE — 03.02.2001 — BELGISCH STAATSBLAD
Art. 13. In hetzelfde besluit wordt aan het einde van titel III, hoofdstuk II, afdeling 3, een nieuw artikel 31bis
ingevoegd, luidend als volgt :
« Art. 31bis. § 1. De in artikel 31 bedoelde dagelijkse toelage dekt, naast de kosten bedoeld in bijlage III, 4.1., bij dit
besluit, de vervoerskosten betreffende de dagonthaaldiensten voor schoolgaande jongeren, de zorgverleningskosten in
de residentiële diensten en in de diensten voor plaatsing in gezinnen bedoeld in bijlage XVII, en de aanvullende kosten
voor vakantieverblijven georganiseerd door de residentiële diensten.
§ 2. De dagonthaaldiensten voor volwassenen en voor niet-schoolgaande jongeren komen in de volgende gevallen
in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten van hun begunstigden :
1° voor zover de diensten een collectieve ophaaldienst organiseren, worden de kosten voor het vervoer van
begunstigden van dagonthaaldiensten voor volwassenen, tussen hun woonplaats en de dienst en omgekeerd, vergoed
naar verhouding van maximum 167 BEF per dag aanwezigheid van de begunstigde;
2° voor zover de diensten een collectieve ophaaldienst organiseren, worden de kosten voor het vervoer van
begunstigden van dagonthaaldiensten voor niet-schoolgaande jongeren tussen hun woonplaats en de dienst en
omgekeerd, vergoed naar verhouding van 615 BEF per dag aanwezigheid van de begunstigde;
De verantwoordelijke van de dienst staat in voor de vervoersmodaliteiten, onverminderd de inachtneming van de
algemene bepalingen betreffende het personenvervoer; het vervoer mag dagelijks niet langer duren dan twee uren. »
Art. 14. Artikel 31bis van hetzelfde besluit wordt artikel 31ter.
Art. 15. In titel III van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen als volgt : « Terugbetaling
van diverse kosten », en hoofdstuk III is niet meer onderverdeeld in afdelingen.
Art. 16. Artikel 35, § 1, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid :
« De diensten moeten de aangiften behoorlijk ingevuld binnen 50 kalenderdagen na het afgelopen trimester bij
aangetekend schrijven aan het Agentschap sturen. De aanvragen om terugbetaling die na die termijn binnenkomen zijn
niet-ontvankelijk. Daarbij geldt de poststempel als bewijs. »
Art. 17. Artikel 40, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« Deze bijdrage wordt geëist door de dienst die de persoon opvangt, overeenkomstig de bepalingen van dit
hoofdstuk. »
Art. 18. In hetzelfde besluit wordt een artikel 41bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Art. 41bis. § 1. Als het gaat om een jonge begunstigde die door een onthaaldienst of -gezin wordt opgevangen
en gehuisvest, wordt de in artikel 40 bedoelde bijdrage per dag aanwezigheid van de begunstigde vastgesteld op een
indexeerbaar bedrag. Het wordt berekend op basis van de jaarinkomens van de personen van wie hij fiscaal ten laste
is en mag niet kleiner zijn dan twee derde van de kinderbijslag berekend op een dagelijkse basis. Deze bedragen zijn
opgenomen in bijlage XVI, punt 2, bij dit besluit.
§ 2. Onder de jaarinkomens bedoeld in § 1 wordt verstaan het geheel van de belastbare inkomens die onder de
personenbelasting vallen, zoals vermeld in een aangifte op erewoord gedaan d.m.v. een formulier waarvan het model
door het Agentschap wordt bepaald. De aangifte moet vergezeld gaan van het aanslagbiljet van de personenbelasting
betreffende het belastingjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aangifte op erewoord is opgemaakt, bij gebrek aan het
laatste ontvangen aanslagbiljet of aan een attest dat het gebrek aan aanslagbiljet bevestigt. Van die inkomsten worden
60 000 BEF per persoon ten laste afgetrokken.
Zolang de aangifte op erewoord en de vereiste documenten niet zijn overgemaakt, wordt de bijdrage op het
maximumbedrag vastgelegd. Zodra de aangifte op erewoord en de vereiste documenten zijn overgemaakt, wordt dat
bedrag herzien, met hoogstens één maand terugwerkende kracht.
Als de jaarinkomens van de personen van wie de begunstigde fiscaal ten laste is, veranderen in de loop van het
jaar, wordt het bedrag van de bijdrage, in afwachting van de overlegging van het aanslagbiljet dat de wijziging
bevestigt, aangepast op grond van de overgemaakte bewijsstukken.
Het bedrag van de bijdrage wordt eveneens aangepast bij de overlegging van een rechtzettend aanslagbiljet.
§ 3. Personen met één kind ten laste die in aanmerking komen voor de sociale vrijstelling bedoeld in artikel 2, § 2,
van het koninklijk besluit van 3 november 1993 tot uitvoering van artikel 37 van de wet betreffende de verplichte
verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 15 mei 1995, dragen bij voor het bedrag bedoeld in bijlage XVI, punt 1. Dat bedrag mag niet
kleiner zijn dan twee derde van de kinderbijslag, berekend op een dagelijkse basis. »
Art. 19. In hetzelfde besluit wordt een artikel 44bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Art. 44bis. § 1. Als het gaat om een jonge begunstigde die door een dagonthaaldienst voor jongeren wordt
opgevangen, wordt de in artikel 40 bedoelde bijdrage per dag aanwezigheid van de begunstigde vastgesteld op een
indexeerbaar bedrag, berekend op basis van de jaarinkomens van de personen van wie hij fiscaal ten laste is.
Deze bedragen zijn opgenomen in bijlage XVI, punt 2, bij dit besluit.
§ 2. Artikel 41bis, § 2, is van toepassing op de inkomens bedoeld in § 1.
§ 3. Personen met een kind ten laste die in aanmerking komen voor de sociale vrijstelling bedoeld in artikel 2 van
het koninklijk besluit van 3 november 1993 tot uitvoering van artikel 37 van de wet betreffende de verplichte
verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 15 mei 1995, dragen bij voor het bedrag bedoeld in bijlage XVI, punt 1.
§ 4. De gehandicapte persoon die het vervoermiddel van de dienst gebruikt, draagt 48 BEF per dag bij in de
vervoerskosten. »
Art. 20. In artikel 45, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het bedrag 29 BEF vervangen door het bedrag 48 BEF.
Art. 21. Artikel 52 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende leden :
« De diensten beschikken over 30 kalenderdagen om elke toelage aan te vechten waarvan de toekenning op grond
van titel III van dit besluit wordt meegedeeld. Daarbij geldt de poststempel als bewijs.
De diensten mogen de herziening van het toelagebedrag aanvragen binnen 30 kalenderdagen na de kennisneming
van een gegeven waarover ze niet beschikten toen ze in kennis van het bedrag werden gesteld en dat dit laatste in
twijfel trekt.