Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij
met diens toestemming dan wel in het geval, bedoeld in artikel 126zpa,
eerste lid, onder c.
N
In artikel 126zg, eerste lid, wordt «artikel 126la» vervangen door: artikel
138e.
O
In artikel 126zi, eerste lid, wordt «artikel 126la» vervangen door: artikel
138f.
P
In artikel 126zo, eerste lid, wordt «artikel 126la» vervangen door: artikel
138e.
Q
Na de Derde afdeling A wordt een Derde afdeling B ingevoegd,
luidende:
DERDE AFDELING B ONDERZOEK IN EEN GEAUTOMATISEERD WERK
Artikel 126zpa
1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier
van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert,
bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar binnendringt
in een geautomatiseerd werk dat in gebruik is bij een persoon en, al dan
niet met een technisch hulpmiddel, onderzoek doet met het oog op:
a. de vaststelling van bepaalde kenmerken van het geautomatiseerde
werk of de gebruiker, zoals de identiteit of locatie, en de vastlegging
daarvan;
b. een bevel als bedoeld in de artikel 126zg;
c. een bevel als bedoeld in artikel 126zd, eerste lid, onder a, waarbij de
officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een
technisch hulpmiddel op een persoon wordt bevestigd;
en, ingeval van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, dan wel een
misdrijf dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen;
d. de vastlegging van gegevens die in het geautomatiseerde werk zijn
opgeslagen, of die eerst na het tijdstip van afgifte van het bevel worden
opgeslagen, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan de dag
te brengen;
e. de ontoegankelijkmaking van gegevens, bedoeld in artikel 126cc,
vijfde lid. Artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet is niet van toepassing
op handelingen ter uitvoering van een bevel als bedoeld in de eerste
volzin.
2. Het bevel vermeldt, behalve de gegevens, bedoeld in artikel 126za,
tevens:
a. zo mogelijk een nummer of een andere aanduiding waarmee het
geautomatiseerde werk kan worden geïdentificeerd en, indien bekend, dat
de gegevens niet in Nederland zijn opgeslagen;
b. een aanduiding van de aard en functionaliteit van het technische
hulpmiddel, bedoeld in het eerste lid, dat wordt gebruikt voor de
uitvoering van het bevel;
Staatsblad 2018
322
8